Geneesmiddelenbeleid 2015

Net als voorgaande jaren geldt er in Nederland een geneesmiddelenbeid. Dat beleid wordt ook wel Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) genoemd. Met dit systeem wordt duidelijk welke medicijnen wel of niet vergoed worden in het basispakket van de zorgverzekering 2015.

De medicijnen die niet zijn opgenomen in het GVS, worden niet gedekt door de basisverzekering. In dat geval kan het voorkomen dat de patiënt de medicijnen volledig zelf moet vergoeden als onderdeel van de eigen bijdrage. Dit jaar worden er twee nieuwe medicijnen toegevoegd aan de basisdekking van de zorgverzekering.

Nieuwe medicijnen
Dit jaar worden Fampyra – een medicijn voor de verlichting van de ziekte multiple sclerose – en Benlysta – een medicijn voor de verlichting van de auto-immuunziekte SLR – toegevoegd aan het GVS. Hiervoor zijn wel extra voorwaarden gesteld: de zogenaamde voorwaardelijke toelating.

Bij voorwaardelijke toelating moet de patiënt zich opgeven voor het testen van het nieuwe medicijn. Daarvoor moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Het Zorginstituut Nederland – voorheen het College voor Zorgverzekeringen – beslist of het medicijn ook echt voor de patiënt vergoed wordt.

Preferentiebeleid
Als onderdeel van het geneesmiddelenbeleid in Nederland, is er een preferentiebeleid. Het preferentiebeleid houdt in dat een medicijn van een bepaalde werkzame stof vergoed wordt. Dat werkt zo: er zijn verschillende merken medicijnen op de markt met eenzelfde werkzame stof. Een goed voorbeeld is bijvoorbeeld omeprasol. Deze werkzame stof wordt uitgegeven als medicijn op zich: omeprasol.

Maar andere fabrikanten werken ook met omeprasol, en noemen het bijvoorbeeld esomeprasol. Het kan zijn dat het ene medicijn – met precies dezelfde werkzame stof – duurder is dan het andere medicijn. Daarom mogen zorgverzekeraars ervoor kiezen alleen het goedkoopste medicijn te vergoeden. Ook apothekers mogen een bepaald medicijn inwisselen voor een ander merk, als de werkzame stof hetzelfde is.

Toch komt het wel eens voor dat een patiënt op het ene merk toch beter reageert dan op het andere merk. Dat kan komen door de samenstelling van het medicijn. Patiënten die nare gevolgen ondervinden van het goedkopere medicijn, kunnen hun andere medicijnen terugvragen bij de apotheek. Het kan zijn dat daarvoor toestemming nodig is van de zorgverzekeraar. Als de patiënt een medische indicatie voor het gebruik van een bepaald merk heeft, is de kans groter dat de patiënt zijn oude medicijnen terugkrijgt.

Welke medicijnen de zorgverzekeraar precies vergoedt, is vaak terug te vinden in de polis of via de website. Bij twijfel is het raadzaam contact op te nemen met de zorgverzekeraar.

Zelf betalen
Door het preferentiebeleid komt het wel eens voor dat verzekerden toch een medicijn zelf moeten betalen. Als een apotheek een overeenkomst met de zorgverzekeraar heeft, dan moet hij het voorkeursgeneesmiddel verstrekken. Als de apotheek een ander middel verstrekt, en de verzekerde er zelf voor moet betalen, is de kans groot dat de zorgverzekeraar het medicijn ook niet zal vergoeden. Dit komt doordat het middel niet aangewezen is. Het is een eigen keuze om het medicijn al dan niet te betalen.

Soms weigert een apotheek om een geneesmiddel te verstrekken, terwijl de verzekerde wel naar dat middel vraagt. In dat geval is het raadzaam een klacht in te dienen bij de zorgverzekeraar. De verzekeraar kan verwijzen naar een andere apotheker waar het medicijn wel te krijgen is.

Apothekers kiezen soms zelf welke medicijnen zij wel of niet inkopen. Dat komt doordat ieder merk medicijn een eigen prijskaartje heeft. Apothekers kopen doorgaans de meest voorkomende en goedkoopste medicijnen in. Op aanvraag is het mogelijk een duurder medicijn te krijgen, maar daardoor loopt de patiënt een hoger risico een deel van het medicijn of het medicijn volledig te moeten vergoeden. De prijs van een medicijn is te vinden op de website van het Zorginstituut Nederland.

Vorige artikel:

Volgende artikel: